Klaar bij de psycholoog: hoe ga je verder na therapie?
Voor redacteur Bente van Diepen is het moment aangebroken om na haar therapiesessies op eigen benen te gaan staan. Maar hoe pak je de draad weer op zonder professionele hulp? Auteur Kathelijn Hulshof: ‘Je hoeft niet ineens ‘af’ te zijn’.
Elke woensdagmiddag 17.00 uur was het raak. Dan plofte ik op de linkerstoel en hoorde de psycholoog, zittend op de rechter, al m’n gedachten aan. Soms liet ze me even doorratelen, soms haalde ze me uit de spiraal en soms dacht ze even mee. Vaak moest ik dat denken zelf doen. Stellig zei ze dan: want ooit is het hier klaar en dan moet je het ook zelf doen. Vond ik vervelend. Nu snap ik dat. Want dat moment om de regie te pakken is aangebroken.
Op eigen benen staan
De sessies zijn doorlopen en dan sta je weer op eigen benen. Wiebelige benen. Wekenlang – of misschien wel jarenlang – kon je elke sessie je diepste geheimen, je confronterende gedachten en je terugkerende zorgen met iemand delen die ervoor leerde om te luisteren. En dus begint er na de laatste sessie een nieuwe fase. Eentje waar opvallend weinig over wordt gesproken: want, hoe ga je eigenlijk verder als de therapie stopt?
Volgens bestuurslid van de Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie, klinisch psycholoog en psychotherapeut Christine Brouwer hoort dat laatste stuk nadrukkelijk bij therapie. Een behandeling bestaat volgens haar niet alleen uit binnenkomen, problemen bespreken en uiteindelijk stoppen. Ook het afscheid zelf verdient aandacht.
Ik kan het nu wel zelf, toch?
Dat zo’n overgang niet voor iedereen vanzelfsprekend is, merkte ook auteur Kathelijn Hulshof. Voor haar boek Gezond bevonden interviewde ze meer dan dertig mensen over hun ervaringen met herstel, kwetsbaarheid en het leven na psychische problemen. Zelf had ze zo’n vijf jaar therapie achter de rug. Juist het moment waarop die zorg wegviel, bleek ingewikkeld. ‘De rode draad van die gesprekken: niemand had een idee wat die periode na therapie inhield. Die overgang – van therapie naar ‘het zelf doen’ – was voor velen vrij abrupt. Daarnaast hadden ze hoge verwachtingen over deze uitbehandelde fase’.
Ik wilde alles blijven uitpluizen, maar daardoor hield ik mezelf gevangen in de therapiekamer
Ook Kathelijn zelf voelde die druk. Ze had inmiddels jaren aan therapie achter de rug en een hele verzameling aan inzichten en oefeningen. ‘Ik dacht: o, maar ik heb nu veel sessies gehad. Ik moet het nu wel echt zelf kunnen’.
Voor een zachtere landing zou een strippenkaart volgens Kathelijn een goede oplossing zijn; een aantal momenten waarop je na afloop nog bij je behandelaar terecht kunt. ‘Misschien hang je één, drie of acht keer aan de telefoon. Maar dat je uiteindelijk zelf beseft: eigenlijk kan ik het wel. Het lukt me zelf’.
Wat zou mijn psycholoog nu zeggen?
Wanneer de therapie eenmaal écht is afgelopen, kan het volgens Brouwer helpen om jezelf in een lastige situatie af te vragen: wat zou mijn psycholoog nu zeggen? Welke vraag zou diegene stellen?
Dat de periode na therapie soms onzeker voelt, vindt Brouwer niet vreemd. Het doel van therapie is niet een worstelvrij leven. Het leven wordt er immers niet ineens overzichtelijker van omdat je een aantal maanden of jaren therapie hebt gehad. Er blijven ruzies, werkstress, slechte nachten, verdriet en dagen waarop je gewoon even niet weet wat je aan het doen bent. ‘Belangrijk is het vertrouwen in je eigen vermogen om daarmee om te gaan. Dat je beseft: ik ben niet gek, het leven is gewoon even ingewikkeld’.
Hoe neem je wat je geleerd hebt mee?
Wat helpt, is volgens auteur Kathelijn Hulshof om de dingen die je tijdens therapie hebt geleerd niet in een la te stoppen zodra de laatste afspraak voorbij is. Een signaleringsplan, dagboek, ademhalingsoefening of andere methode, kan ook daarna van pas komen.
‘Het is niet opeens klaar wanneer de sessies stoppen. Neem die tools uit therapie serieus mee’. Kathelijn houdt zelf bij hoe het met haar gaat. Niet om iedere mindere dag uitgebreid te analyseren, maar om te voorkomen dat één slechte dag voelt als bewijs dat alles weer misgaat. ‘Herstel is niet lineair. Het gaat met pieken en dalen’.
Het is niet opeens klaar wanneer de sessies stoppen, neem die tools uit de therapie dus mee
Dat kan volgens haar met schrijven, maar net zo goed door te tekenen, wandelen of voice notes van jezelf op te nemen. Het doel is niet om jezelf voortdurend te monitoren, maar om patronen te leren herkennen. ‘Zoek iets wat voor jou werkt. En neem het jezelf ook niet kwalijk als het even niet goed gaat’.
Zelfreflectie als nieuwe therapie?
Na jaren therapie kan het verleidelijk zijn om ook na afloop ieder gevoel uitgebreid te onderzoeken. Kathelijn merkte dat ze daar zelf in kon doorschieten. ‘Ik wilde op een gegeven moment gewoon alleen maar met iedereen een soort groepstherapie doen, omdat ik alles helemaal wilde blijven uitpluizen. Want anders was ik bang dat het weer misging’.
Maar juist dat voortdurende analyseren kan je gevangen houden in de therapiekamer, ontdekte ze. ‘Hierdoor geniet minder van het leven. En dat is zonde’.
En als het toch weer minder gaat?
Dat het na therapie weer eens minder gaat, betekent volgens Brouwer niet automatisch dat je terug bij af bent. Oude klachten kunnen in bepaalde periodes opnieuw opspelen. Denk aan grote veranderingen, stress of gebeurtenissen die iets ouds raken. Daarom kan het helpen om bij het afsluiten van de therapie alvast te bespreken: waaraan merk je dat het minder met je gaat? En wat doe je dan?
‘Herstel is niet lineair, het gaat met pieken en dalen’
Ook daar hoeft niet meteen een volledig nieuw therapietraject uit te volgen. Soms is een gesprek met de huisarts of praktijkondersteuner genoeg om weer even scherp te krijgen wat er speelt.
Je kunt ook zelf een klein vangnet maken. Een terugvalpreventieplan helpt om alvast op papier te zetten: dit zijn mijn signalen, hier moet ik op letten en dit helpt me als het minder gaat. Online vind je verschillende voorbeelden, zoals dit terugvalpreventieplan van GGZ Eindhoven, dat je kunt gebruiken als inspiratie voor je eigen plan.
Nog even wiebelen
De psycholoog zit straks niet meer op de rechterstoel en ik hoef niet meer elke woensdag op de linker. Dat is even wennen. Maar misschien is dat ook gewoon oké. Want, zoals Kathelijn schrijft, hoef je na therapie niet ineens een volledig ‘af’ mens te zijn. Je mag wiebelen. Je mag opnieuw zoeken. Je mag terugvallen. En je mag hulp vragen als dat nodig is. Je bent klaar met de sessies, maar nog niet met het leven en ook niet met jezelf.
Dit artikel verscheen eerder bij Flow Magazine. Je leest de artikelen van Psychologie Magazine en meer dan 25 andere merken in de Mijn Magazines-app.