Piekeren heeft een slechte naam – maar het kan ook voordelen bieden
Piekeren kan heel constructief zijn. Maar als je erin doorslaat en in cirkeltjes blijft ronddraaien, werkt het tegen je. Hoe zet je dat destructieve gepieker om in nuttig denkwerk?
‘Niet zo piekeren’ horen zorgelijke mensen vaak; ‘het komt vast goed.’ Daarop volgt dan liefst nog een riedeltje over de vele bewezen voordelen van optimisme. Dat mensen die erop vertrouwen dat het wel goed komt, bijvoorbeeld gelukkiger zijn. En gezonder. En rijker.
En, nou ja, meer van die fijne dingen waarvan piekeraars toch al zo bang zijn dat die ze door de vingers glippen. Ze moeten dus als de wiedeweerga stoppen met dat gesomber! Anders is hun ongeluk ook nog eens gewoon hun eigen stomme schuld. Wetenschappelijk aangetoond, hè.
Waarom wél piekeren?
Kate Sweeny ziet dat anders. De sociaal psycholoog geeft leiding aan het Life Events Lab van de universiteit van Californië, waar uitgebreid onderzoek wordt gedaan naar de manier waarop mensen een onzekere situatie uitzitten.
Houd ik mijn baan of word ik ontslagen? Zouden we die hypotheek wel krijgen? Is dat bultje onschuldig of foute boel? En keer op keer blijkt uit die onderzoeken dat mensen die hun kansen wat somberder inschatten, uiteindelijk juist beter af zijn dan enorme optimisten.
Begin vorig jaar publiceerde Kate Sweeny daarom een artikel over de pluspunten van gepieker, getiteld The surprising upsides of worry. Oké, Sweeny stipt toch even – bijna plichtmatig – de nadelige gevolgen aan die gepieker kán hebben. Het valt namelijk niet te ontkennen dat excessieve tobbers vaker lijden onder een slechte gezondheid en depressies.
Maar, vervolgt ze, als je de vele publicaties op piekergebied wat preciezer leest, zie je dat onderzoekers ook wel erg op die extreme vorm en de destructieve gevolgen ervan zijn gefocust. Dat vertekent de resultaten natuurlijk enorm. Zodra je zulke doorgeslagen gevallen eruit zeeft, komen de voordelen van piekeren naar boven. En dan blijkt het dus zelfs wenselijk om geregeld uitgebreid na te denken over wat er allemaal mis kan gaan.
De voordelen van piekeren
Maar wat is daar dan zo goed aan? Twee dingen, schrijft Kate Sweeny. Ten eerste zijn mensen die dat geregeld doen, beter voorbereid op lastige situaties dan zorgeloze types. Zelfs regelrecht traumatische ervaringen lijken ze gemiddeld beter te doorstaan. Dat komt waarschijnlijk doordat hun gepieker ze aanzet om vroegtijdig informatie in te winnen en potentiële oplossingen te verzinnen.
Al die gedachten over wat er allemaal kan gebeuren, hebben dus niet per se het verlammende effect dat er vaak aan toegeschreven wordt. Ze kunnen juist tot heel verstandig preventief gedrag leiden.
Zoals de belastingpapieren op tijd bijeenharken, alvast alle denkbare examen- of sollicitatievragen met bijbehorende antwoorden verzinnen, die tandartsvisite of borstkankerscreening niet voor je uit schuiven, en condooms kopen voor een veelbelovend afspraakje. Die laatste voorbeelden maken meteen duidelijk waardoor piekeraars uiteindelijk vaak een betere gezondheid blijken te hebben dan grote optimisten.
Het tweede grote voordeel volgens Sweeny is dat piekeraars bij tegenslag – ze krijgen de baan niet, dat rare vlekje blijkt kwaadaardig – veel minder van slag zijn dan luchthartiger types. Ze hadden zich er in gedachten immers alvast op voorbereid.
En daar komt ook nog eens bij dat hun blijdschap groter is dan die van de optimisten wanneer de zaken beter uitpakken dan verwacht. Piekeraars denken dan dus niet bozig: heb ik daarover voor niks in de zenuwen gezeten. Maar zijn dankbaar: pakt dat even gunstig uit!
Kortom, zowel in voor- als tegenspoed hebben piekeraars volgens Sweeny profijt van hun neiging. En dat is een ander geluid dan de laatste decennia de boventoon voerde.
Neem de bekende Amerikaanse psychologe Susan Nolen-Hoeksema, die een groot deel van haar wetenschappelijke carrière besteedde aan onderzoek naar de rol van piekeren bij het ontstaan van depressies en angststoornissen. Het is als drijfzand, was haar overtuiging; het gepieker grijpt je vast en zuigt je naar beneden.
Twee soorten piekeren
Een andere internationaal bekende deskundige is VU-hoogleraar Ad Kerkhof. Hij schreef in 2007 een longseller met het zelfhulpboek Piekeren. Deze praktische gids voorziet ook buiten ons land duidelijk in een grote hulpvraag; er is al een Engelse vertaling van, en een Chinese. En ook Kerkhof heeft een duidelijke missie met zijn methode: stop toch met dat getob! Want, schrijft hij in hoofdstuk 1: ‘Denken leidt tot oplossingen, piekeren leidt tot niets.’
Hoe kan dat, dat onderzoekers zo verschillend oordelen over de wenselijkheid van een en hetzelfde fenomeen? Een voor de hand liggende verklaring is dat ze het eigenlijk over verschillende dingen hebben. Zo kun je twee soorten piekeren onderscheiden. De ene richt zich op de toekomst, op de bedreigingen die daar loeren, de andere juist op dingen die in het verleden zijn gebeurd en niet zo goed uitpakten.
Denk wat die laatste piekersoort betreft aan een gedachtenstroom als: wie zei toen wat, welke reactie heb ik daarop gegeven, wat deed die ander toen ook alweer en waarom waarom o WAAROM heb ik toen met mijn STOMME kop niet iets anders gezegd? Rumineren, wordt dat ook wel genoemd, ‘herkauwen’.
En zoals onderzoekers als Susan Nolen-Hoeksema al vaststelden, zijn met name tot depressie geneigde mensen daar zeer bedreven in. Maar de ellende is: iedere herkauwsessie levert ze nieuwe details op voor verder maalwerk.
Het mag duidelijk zijn dat dat verlammend kan werken, en doorgaans niet bepaald opwekkend is. Het verleden laat zich immers niet meer veranderen, en schuldgevoel en zelfverwijt zijn over het algemeen geen constructieve emoties.
Doemscenario’s voor de toekomst
De voordelen van piekeren waar Sweeny het over heeft, gelden meer voor de eerste soort: nadenken over wat er in de toekomst fout kan gaan. Ook daar kunnen mensen overdreven bedreven in zijn – dan bedenken ze bijvoorbeeld twintig redenen waarom ze hun droomwoning toch maar niet moeten kopen. Zoals: de voorzitter van de vereniging van eigenaren zou er met de kas vandoor kunnen gaan. Of: de gemeente zou de vaart voor de deur kunnen dempen en tot snelwegtracé bestemmen.
Zulke gedachten kunnen heel belastend zijn, en wie erin doorschiet zal niet snel een knoop doorhakken. Maar ze hebben één groot voordeel: je kunt er een actieplan aan verbinden. Zoals statuten opvragen en bestemmingsplannen inzien. Mensen die hun gepieker inderdaad vooral opvatten als oproep tot actie, zullen daar over het algemeen wel bij varen.
Er is nog een andere verklaring voor het feit dat onderzoekers zo verschillend oordelen over de (on)wenselijkheid van gepieker. Namelijk dat ze hun inzichten ontlenen aan onderzoeken onder heel verschillende groepen mensen. Zoiets kan de uitkomsten sterk kleuren.
Gezond perfectionisme
Een mooi voorbeeld daarvan is het onderzoek naar perfectionisme (wat overigens typisch een trekje is waarmee veel piekeraars behept zijn). Dat onderzoek werd in eerste instantie gedaan onder mensen die al met psychische problemen bij een hulpverlener hadden aangeklopt, en bij wie perfectionisme een opvallend aanwezige karaktereigenschap was. Het zal niemand verrassen dat de onderzoekers tot de conclusie kwamen dat perfectionisme depressies en andere ellende kon veroorzaken en in stand houden.
Dat beeld kantelde toen de Amerikaanse psycholoog Robert Slaney eind vorige eeuw besloot een andere onderzoekspopulatie onder de loep te leggen: mensen die wél hoog scoorden op perfectionisme maar die níét in therapie waren.
Daaruit kwam een totaal ander beeld naar voren. Deze perfectionisten bleken het juist heel goed te doen, en dan niet ondanks maar dankzij hun perfectionisme. Dat ‘ziekelijke’ trekje maakte ze namelijk onder andere heel doelgericht, productief en betrouwbaar.
Zo kwam de wetenschap in de afgelopen decennia tot het onderscheid tussen maladaptief – ongezond, onaangepast – en adaptief – gezond, aangepast – perfectionisme. Van de eerste vorm kun je behoorlijk last hebben, van de tweede vorm kun je juist profiteren.
En precies zo zou het met piekeren kunnen zitten. Als je mensen met een depressie of angststoornis vraagt of ze vaak piekeren, zal het merendeel beslist ‘ja’ antwoorden. En al dat gekauw op hun gedachten draagt beslist ook bij aan de bestendiging van hun klachten. Maar dat maakt de neiging zelf nog niet per definitie onaangepast en onzinnig.
Verband tussen intelligentie en piekeren
Wat de zin van piekeren betreft, geeft het te denken dat Canadese onderzoekers recentelijk een verband vaststelden tussen intelligentie en het vermogen je zorgen te maken.
Nadat ze ruim honderd geestelijk gezonde jongvolwassenen een serie vragenlijsten hadden voorgelegd én twee intelligentietests, kwamen ze tot de conclusie dat de slimsten onder hen significant meer angsten kenden en vaker piekerden. Dit gold met name voor de deelnemers met een hoger verbaal IQ. Kennelijk denken dus vooral talig intelligente mensen veel na over wat er gezegd en gedaan is, en over wat de toekomst aan eventuele ellende kan brengen.
Die link tussen IQ en tobberigheid verbaasde de onderzoekers trouwens niet. Want, zo schrijven ze in hun inleiding: ‘Evolutionair gezien kost gepieker over een bedreiging die niet uitkomt ons minder dan een bedreiging die wél uitkomt en we niet voorzien hebben.’ In gewonemensentaal: tobberigheid vergroot simpelweg je overlevingskansen.
En dat kan zelfs gelden voor ‘terugkijkend’ getob. De Zweedse psycholoog Anders Ericsson stelde ooit vast dat mensen die geneigd zijn hun fouten achteraf grondig te analyseren, beter zijn in hun vak. De cruciale stap is dan natuurlijk wel dat je lering trekt uit wat er misging, en niet in zelfverwijt blijft hangen.
Desgevraagd blijkt ook ‘piekerprofessor’ Ad Kerkhof best de voordelen van piekeren te zien. ‘Ik doe het zelf ook,’ bekent hij lachend aan de telefoon. ‘Het kán heel zinnig zijn.’
Kom in actie
Want, somt hij op: ‘Piekeren maakt je alert. Het maakt je ervan bewust dat er iets is wat je bedreigt, waaraan je aandacht moet besteden. En als het goed is, helpt het gepieker je dan oplossingen verzinnen.’
In die zin is hij er zelfs sterk vóór, vervolgt hij. ‘Ja, echt! Er zijn mensen die het te weinig doen. Die zitten bijvoorbeeld in het café in plaats van te studeren voor hun tentamen. Zij zouden echt vaker moeten piekeren.’
Maar let op, benadrukt Kerkhof: het vaker doen mag dan voor veel mensen heel goed zijn, langer piekeren is dat zeker niet. ‘Dan ga je er alleen maar van wakker liggen en heb je er een slaapprobleem bij. Waar het om gaat, is dat je iets dóét met al die gedachten, dat je er een actie aan verbindt. Want piekeren is in feite toch een vorm van nietsdoen.
Als je bedreigd wordt, moet je in principe kiezen tussen aanvallen en vluchten. Piekeren is geen van beide, piekeren is bevriezen. Of, zoals Dr Phil het ooit zo mooi zei – ik heb zijn uitspraak hier op een tegeltje in mijn werkkamer staan: “Piekeren is net als schommelen, je gaat wel heen en weer maar je komt niet van je plaats.” En uiteindelijk is dat toch wat je wilt.’
Lukt het maar niet om gedachten of gevoelens los te laten en blijft je maar in cirkeltjes ronddraaien zonder verder te komen? Met de training Stoppen met piekeren leer je zonder oordeel naar je gedachten te kijken. In de maand oktober krijg je met de code academy50 50% korting op één training naar keuze. De code is geldig tot en met 31 oktober.
Bronnen o.a.: K. Sweeny e.a., Is optimism always best?, Current Directions in psychological science, 2006 / K. Sweeny e.a., The surprising upsides of worry, Social and Personality Psychology Compass, april 2017 / A. Penney e.a., Intelligence and emotional disorders: Is the worrying and ruminating mind a more intelligent mind?, Personality and Individual Differences, 2015
Bron: Psychologie Magazine onderzoek over piekeren onder 750 Nederlanders, 2010