Leven met een hersenaandoening, hoe doe je dat? ‘Ik vergelijk mezelf met een versie van mezelf die nooit heeft bestaan’
Elise van Boxtel is masterstudent Klinische Psychologie. Vanuit haar eigen ervaring met een hersenaandoening die haar dagelijks leven beïnvloedt, schrijft ze als een van de Jonge stemmen van Psychologie Magazine over hoe psychologie verweven is in alledag.
Toen ik op mijn 21e ziek werd, leek mijn leven stil te staan. Ik moest op dat moment het leven dat ik voor ogen had opgeven. Hoewel het gelukkig steeds beter met me gaat, is het contrast tussen mijn leven en dat van leeftijdsgenoten nog groot. Op LinkedIn zie ik mensen carrièrestappen maken en mijn Instagram-feed staat vol met huizen, verlovingsringen, baby’s, wereldreizen en festivals. Inmiddels weet ik wel dat het zinloos is om mezelf met anderen te vergelijken. Toch kan ik niet altijd aan die neiging ontsnappen.
De vergelijking die ik het vaakst maak, is uiteindelijk niet met anderen. Ik vergelijk mezelf met een versie van mezelf die nooit heeft bestaan. De persoon die niet ziek is geworden. In mijn verbeelding werkt zij aan haar carrière, heeft ze meer van de wereld gezien en staat ze ook op die festivals te dansen. Ik heb lang gerouwd om een leven dat ik nooit heb geleefd. En soms rouw ik nog steeds.
Ik vergelijk mezelf met een versie van mezelf die nooit heeft bestaan
Mijn brein doet hier iets waar we als mensen bijzonder goed in zijn: het bedenken van alternatieve werkelijkheden. In de psychologie noemen we dat contrafeitelijk denken. Soms werkt dat in je voordeel. Bijvoorbeeld als je maar nét je trein haalt en je denkt aan de belangrijke afspraak die je had gemist als je de volgende trein had moeten pakken. Dit soort gedachten gaan gepaard met een gevoel van opluchting.
Misschien herken je ook de andere kant. Gedachten als: wat als ik die relatie toch nog een kans had gegeven? Wat als ik mijn sollicitatiegesprek beter had voorbereid? Wat als ik me eerder had ingeschreven voor een sociale huurwoning? (Bij voorkeur toen ik nog in de baarmoeder zat). Zulke gedachten zijn frustrerend en kunnen spijt of schuldgevoel oproepen, maar kunnen ons ook helpen om de volgende keer andere keuzes te maken.
Tegelijkertijd is het duidelijk dat we niet op alles in het leven invloed hebben. Niemand kiest er bijvoorbeeld voor om ziek te worden. Toch blijft het leven dat ik nooit heb geleefd soms als een utopie door mijn hoofd spoken. Terwijl ik eigenlijk niet eens weet hoe het leven was gelopen als ik niet ziek was geworden. Misschien had ik die droombaan. Misschien ook niet.
Hoewel het menselijk is om in alternatieve scenario’s te denken, weet ik dat het mij in dit geval niet helpt. De utopie zal ongetwijfeld nog eens opduiken in mijn hoofd, maar ik laat haar voor wat ze is: slechts een gedachte. Dan kan ik mijn aandacht gaan richten op het leven dat ik wél leef.
Lees ook: Wat wil ik in het leven? Een gedachte-experiment om je verlangens boven tafel te krijgen