Wandelende vulkaan
De vraag
Dag Meneer Bernard,
Ik ben een vat vol woede, maar kom naar buiten toe rustig, geduldig en vrolijk over. Verbaal weet ik allemaal wel te verklaren wat ik voel, maar ik weet niet wat ik met die gevoelens aan moet. Ik huil bijvoorbeeld ook zeer zelden.
Inmiddels voel ik me net een wandelende vulkaan. Ben nu drie keer per week gaan sporten en dat helpt wel iets, maar lang niet genoeg. Wat kan ik nog meer doen?
Met vriendelijke groet, Annika
Het advies
Beste Annika,
U voelt zich een vat vol woede en ook een wandelende vulkaan. Als die woede puur lichamelijk/organisch te verklaren was, dan lijkt het logisch dat ‘het wel enigszins helpt’ drie keer per week te sporten. Maar dat is niet zo, want dan had u er van jongs af al last van gehad, en daar hoor ik u niet over (en dan had u allang hulp moeten zoeken, want dan was u in deze zeer drukke maatschappij in de problemen gekomen). Daarom denk ik dat (zoals ik dat in mijn boekje beschrijf) ‘uw emmertje’ zeer snel en voor u niet geheel logisch volloopt.
Ik denk ook dat het waarschijnlijk allerlei kleine ergernissen (misschien ook oude) zijn, die u dwars zitten. Ergernissen die u eigenlijk het sop de kool niet waard vindt, waarvan u denkt dat u ze allang verwerkt en achter u gelaten heeft. En ja, dat stapelt zich op en dan hoeft een mug maar te hoesten (bij wijze van spreken) en dan barst de bom.
Ik raad u aan te registreren:
- wat er op het moment dat het water u aan de lippen staat werkelijk gebeurt;
- wat er in uw hoofd omgaat, welke gedachtes/denkfouten zich voordoen (zie mijn boekje en andere vragen op die pagina);
- wat er in de voorgaande 24 uur is gebeurd, waar u bijvoorbeeld over heeft zitten broeden – misschien wel oude koeien…
- en last but not least, waar zit die woede? In het hoofd, of staat u op springen, wilt u meppen?
Als u deze vragen enigszins kunt beantwoorden, bespreek ze dan met een goede vriendin. Komt u daar niet uit, schroom dan niet om via uw huisarts contact te zoeken met een (vrouwelijke) therapeut om eens te kijken wat er in uw ’emmertje’ zit.
Jan Bernard