Ga naar inhoud

5 factoren die je morele oordeel vertroebelen

twee mensen zitten op een weegschaal hun oordeel te overwegen
Beeld: Eoneren
leestijd 7 minuten
Uitgelegd 09 februari 2026

Intuïtie is vaak gevoelsmatig. Alle mensen en dieren bezitten het, en gebruiken het van nature om te overleven. Onze morele intuïtie ontwikkelen we zelfs veel eerder dan taal. Dat is vaak goed en nuttig, maar het gaat ook regelmatig is.

We gebruiken onze intuïtie onder meer om andere mensen in te schatten: is deze persoon te vertrouwen, is hij ‘goed’ of ‘slecht’? Onze morele oordelen zijn dus vaak intuïtief en niet rationeel. Maar je hebt niet altijd voldoende aan je intuïtie om een mening over iemand te vormen, blijkt uit onderzoek van de Amerikaanse hoogleraar psychologie Jonathan Haidt. Deze vijf factoren kunnen je morele oordeel vertroebelen.

1. We kijken niet verder dan onze neus lang is

Wallace was een maffiabaas en had daarom nogal wat rivalen. Op een dag ging hij naar de kroeg. Een van zijn rivalen wist een dodelijk, traag werkend gif in zijn bierglas te mikken. Wallace verliet de kroeg, stapte in zijn auto en reed huiswaarts. Onderweg werd hij opzettelijk aangereden door een andere rivaal en was op slag dood.

Als mensen dit fictieve scenario krijgen voorgelegd met de vraag wie verantwoordelijk is voor de dood van Wallace, hebben de meesten daarover een uitgesproken opvatting.

Om te beginnen: Wallace is een schurk, dus zo’n ramp is zijn dood niet. Maar als ze dan toch een schuldige moeten aanwijzen, gaat de vinger naar de tweede rivaal. De eerste wordt consequent overgeslagen. Die eerste rivaal deed weliswaar iets wat niet mag, maar het had geen effect, zeggen mensen dan.

Er gebeurt dus iets vervelends en als we willen weten wie dat op zijn kerfstok heeft, voeren we een mentale simulatie uit. We draaien in ons hoofd de film van achter naar voor terug en de eerste die we tegenkomen, dát is de schuldige: we kijken dus niet verder dan onze neus lang is.

2. We geloven in een rechtvaardige wereld

Onze morele intuïtie stoelt op het geloof in een rechtvaardige wereld. Achter dat – onterechte – geloof gaat de visie schuil dat dit leven goede mensen beloont en rotzakken genadeloos afstraft.

En ook: wie fortuin vergaart in zijn leven, is een toffe peer en wie ellende ten deel valt, heeft het er zelf naar gemaakt. Mensen krijgen wat ze verdienen en verdienen wat ze krijgen.

Het geloof in een rechtvaardige wereld verklaart bijvoorbeeld waarom slachtoffers nogal eens denken dat ze de tegenslagen in hun leven aan zichzelf te wijten hebben.

Neem ouders die een kind door wiegendood verloren. Zij pijnigen zich vaak met de gedachte dat het allemaal anders gelopen zou zijn als ze vaker naar hun kind waren gaan kijken. Ze voelen zich onterecht schuldig.

3. We worden misleid door onze emoties

Emoties vormen een wezenlijk bestanddeel van onze morele intuïtie. En omdat emoties zo dwingend kunnen zijn, kunnen ze ons ook behoorlijk misleiden in ons oordeel over anderen.

De Amerikaanse filosoof Jesse Prinz schrijft dat er verschillende vormen van ‘regelovertreding’ zijn, die allemaal een ander type emotie uitlokken. Wie bijvoorbeeld regels overtreedt die te maken hebben met de veiligheid van mensen, roept boosheid over zich af.

Andere regels hebben meer te maken met etiquette: een tafelgast die opzettelijk eten in zijn servet spuugt, krijgt minachting over zich heen. Dan is er nog een groep regels die te maken heeft met de natuurlijke ordening der dingen. Respect voor dode mensen en dieren hoort daarbij. Het punt met emoties is dat ze nooit ‘fout’ kunnen zijn, maar het bijbehorende oordeel helaas wel.

4. We gaan af op hoe sympathiek we iemand vinden

Onze morele intuïtie is nogal eens vooringenomen, omdat ze enkel afgaat op het subjectieve oordeel over hoe sympathiek of onsympathiek we iemand vinden. Of we iemand wel of niet sympathiek vinden, hangt af van ons sociale circuit en onze ervaringen.

Voor velen is de politie een helpende instantie, maar er zijn ook groepen die zich door de politie hinderlijk gevolgd voelen of last heben van etnische profilering.

In een uitzending van Opsporing Verzocht kwam een aantal jaar geleden een politieagente in beeld om een zaak toe te lichten. De agente werd tijdens de uitzending onwel en de verbinding moest worden verbroken.

Het fragment werd duizenden keren bekeken op YouTube en daar lieten veel mensen venijnig commentaar achter. Zoals ene J., die het prima vond dat de politievrouw dit overkwam en daaraan als volgt uiting gaf: ‘Wie had dat gedacht… van een aanhouding in iemands huis naar doodgaan op de buis!’

5. We praten ons morele oordeel achteraf goed

Wat zou J. zeggen als je hem zou vragen waar zijn oordeel vandaan komt? Ongetwijfeld zou hij met redenen komen aanzetten. Maar dat is achteraf. Die redenen zijn niet de oorzaak van zijn morele intuïtie.

Dat argumenten en morele intuïtie niet in de pas lopen, blijkt als mensen worden bevraagd over hun principes. Als je vraagt of iedereen voor de wet gelijk is, zal een overweldigende meerderheid volmondig ja roepen.

En als je aan mensen vraagt of een rechter straffen zou moeten uitdelen met het Rad van Fortuin – en u krijgt vijf, nee wacht, zeven, nee, negen maanden! – zal de meerderheid dat vol overtuiging afwijzen.

Maar nu de volgende situatie: meneer Rood en meneer Groen staan op het dak van een flat en zijn wat aan het flauwekullen met bakstenen. Rood verft zijn baksteen rood en Groen verft zijn baksteen groen.

Ze besluiten om de bakstenen over de rand van het dak te gooien. Beneden loopt een stille weg. De steen van Rood valt gewoon naar beneden en slaat te pletter op het asfalt. Die van Groen gaat dwars door de voorruit van een auto die toevallig langskomt. De bestuurder is een jonge vrouw die ter plekke overlijdt.

Als je mensen vraagt om zo uit de losse pols straffen te geven aan Rood en Groen, dan komt Rood er betrekkelijk goed vanaf en wacht Groen een forse straf. Hier wijst het morele kompas in een andere richting dan het principe dat schuld niet van toevalligheden afhankelijk moet zijn.

‘Ja, maar,’ zullen mensen zeggen, en ze verzinnen een rechtvaardiging achteraf, bijvoorbeeld: ‘Groen had toch van tevoren kunnen weten dat er iemand langs kon komen?’

De conclusie van dit alles is dat we anderen altijd en overal en binnen de kortste keren de maat nemen. En dus zitten we er geregeld naast met onze oordelen.

Als jij iets verkeerds hebt gedaan en mijn morele intuïtie zegt me dat je over de schreef bent gegaan, is dat prima. Wanneer je niets op je kerfstok hebt en mijn intuïtie zegt me dat je te vertrouwen bent, is dat ook goed.

Maar het gaat mis als je niets kwaads hebt gedaan, maar mijn intuïtie toch probeert je iets aan te wrijven. Het gaat ook mis als je wel iets ernstigs hebt uitgespookt, maar mijn intuïtie dat volkomen over het hoofd ziet. Bij de eerste fout is er sprake van een valse beschuldiging en bij de tweede van onverdiend vertrouwen.

Daarom is het goed om kritisch te blijven op onze oordelen over de mensen in onze directe en minder directe omgeving. Om te investeren in kennisvergaring, discussie, meningsvorming en argumentatie. Want voor je het weet, maakt je intuïtie meer kapot dan je lief is.

Ben je iemand die zijn intuïtie vertrouwt – of ben je meer een wilde gokker of logisch denker? Ontdek met deze test hoe je problemen oplost

Dit artikel verscheen eerder in Psychologie Magazine.

Meer lezen over dit thema?
De inhoud op deze pagina wordt momenteel geblokkeerd om jouw cookie-keuzes te respecteren. Klik hier om jouw cookie-voorkeuren aan te passen en de inhoud te bekijken.
Je kan jouw keuzes op elk moment wijzigen door onderaan de site op "Cookie-instellingen" te klikken."